Home Biografie Bibliografie Verzameld werk Over Karel van het Reve Contact
Karel van het Reve werd op 19 mei 1921 geboren in de Van Hallstraat in Amsterdam. Zijn ouders, Gerard van het Reve (1892-1975) en Jannetta Doornbusch (1892-1959), waren uit Twente afkomstig. Beiden waren lid van de Communistische Partij Holland, de voorganger van de huidige CPN. Hoewel vader Van het Reve (pseudoniem: Gerard Vanter) oorspronkelijk textielarbeider was, heeft Karel hem nooit anders dan als journalist en schrijver gekend.
    Tot de vriendenkring van de Van het Reves behoorden communistische intellectuelen, schrijvers en journalisten (onder anderen Jan en Annie Romein). Karel begon al vroeg met zelf te publiceren: zo schreef hij stukjes onder het pseudoniem 'Karel Beton' in De Tribune (het communistisch dagblad waarvan zijn vader redacteur was), en maakte hij op 14-jarige leeftijd vertalingen (uit het Duits) van twee romans van de Russische schrijver Konstantin Paustovski.


Van 1932 tot 1939 bezocht Karel van het Reve het Vossius-gymnasium in Amsterdam, waar onder anderen de literator D.A.M. Binnendijk (1902-1984) en de historicus Jacques Presser (1899-1970) leraar waren. Op het Vossius bestonden twee schoolkranten: een legale (Vulpes) en een illegale (De Ventilator). Van het Reve heeft in beide geschreven, en ook redactiefuncties bekleed. Karel en zijn vrienden waren, zeker voor hun leeftijd, zeer belezen en enige intellectuele hoogmoed was hun niet vreemd. Een van Karels vrienden, David Koker, is in de oorlog omgekomen. In 1976 heeft Van het Reve diens Dagboek geschreven in Vught van een inleiding voorzien en uitgegeven.
    In 1939 deed Van het Reve eindexamen. Daarna ging hij sociografie studeren aan de Universiteit van Amsterdam, maar hij ging al spoedig samen met vrienden, onder wie zijn oud-klasgenote en latere echtgenote Jozina Israël, colleges in andere vakken lopen. Het college van professor Bruno Becker beviel hem zo goed, dat hij besloot Slavistiek te gaan studeren.
    Van 1941 tot 1944 volgde Van het Reve de bedrijfleiderscursus aan de Amsterdamse grafische school. Op 11 juli 1945 trouwde hij met Jozina Israël. Ze kregen twee kinderen, een dochter Jozina Jannetta (1947) en een zoon David (1950). Het echtpaar studeerde verder bij Becker.


Van het Reve werd na de oorlog gevraagd om artikelen over Rusland te schrijven in De Vrije Katheder, een blad waarin communisten en sociaal democraten samenwerkten, en dat in ruzie onderging in 1950. Een van de twistpunten was een stukje van Karel van het Reve over Poesjkin. Communisten als Theun de Vries, Ger Harmsen en Marcus Bakker beschouwden dit 'smerige stukje' als verraad aan de Sovjetunie. In het artikel legde Van het Reve uit waarom hij het niet eens was met het officiële Russische beeld van Poesjkin. Mede uit de artikelen die Van het Reve in De Vrije Katheder schreef blijkt, dat hij rond 1948 definitief zijn geloof in het communisme verloren heeft.
    Najaar 1948 kreeg Van het Reve zijn eerste betrekking: bibliothecaris van het mede door hem opgerichte Rusland-instituut van de Universiteit van Amsterdam. In 1951 studeerde hij af, en op 6 juli 1954 promoveerde hij op een proefschrift getiteld Goed en schoon in de sovjetcritiek. Beschouwingen over de aesthetica van het Sovjetrussische marxisme. Promotor was Bruno Becker, co-referent Jan Romein.
    Na zijn promotie vertrok Van het Reve voor een jaar naar Amerika, om met een beurs van de Rockefeller Foundation aan de Columbia Universiteit in New York onderzoek te doen naar Poesjkins tijdgenoten. Tijdens zijn verblijf in Amerika begon Van het Reve stukken over Russische aangelegenheden te schrijven in Het Vrije Volk. Ook vertaalde hij in deze tijd de romans van Toergenjev voor Van Oorschots Russische Bibliotheek.
    In 1957 werd Van het Reve benoemd tot hoogleraar in de Slavische letterkunde aan de Rijksuniversiteit van Leiden. Korte tijd later vroeg K.L. Poll, redacteur van het in 1957 opgerichte Hollands Weekblad (later Maandblad), Van het Reve om bijdragen in dat blad, die al gauw ook over andere dan Russische zaken gingen. Het was het begin van Van het Reves loopbaan als essayist in verschillende periodieken (waaronder NRC Handelsblad, Het Parool, Hollands Maandblad, Tirade) over uiteenlopende onderwerpen: geschiedenis, sociologie, de studenten-revolutie, Elsschot, Tucholsky, Freud etcetera. Daarnaast bleef hij veelvuldig over Russische zaken schrijven.


Vanaf augustus 1967 was Van het Reve een jaar lang correspondent van Het Parool in Moskou. Hij stoorde zich niet aan het feit dat het buitenlanders officieel verboden was contact te hebben met Russen, maar zocht juist leden van de Russische oppositie op. Andrej Amalrik werd een goede vriend. Van het Reve deed verslag van twee processen tegen dissidenten, en slaagde er in het geruchtmakende manifest van de kerngeleerde Andrej Sacharov (1921-1989), Gedachten over vooruitgang, vreedzame coëxistentie en intellectuele vrijheid, de Sovjetunie uit te smokkelen. Door zijn toedoen werd het in juli 1968 eerst in Het Parool, en enige uren later in The New York Times gepubliceerd. In 1969 richtte van het Reve samen met J.W. Bezemer en Peter Reddaway de Alexander Herzenstichting op, met als doel het uitgeven van geschriften die vanwege de censuur niet in Rusland zelf uitgegeven konden worden.
    Eind jaren zeventig veroorzaakte Karel van het Reve twee keer opschudding in de wetenschappelijke wereld. De ene keer door in de Huizinga-lezing (1978) de vloer aan te vegen met de moderne literatuurwetenschap, de andere door een kritische afrekening met Darwins evolutietheorie; in beide gevallen leidde dat tot langdurige polemieken.
    In 1982 ontving Van het Reve de P.C. Hooftprijs voor zijn essayistische oeuvre. Het juryrapport maakte melding van het "wantrouwen tegen elk geloof en iedere doctrine" dat uit Van het Reves oeuvre sprak, maar prees ook zijn kunstenaarschap. "Dit kunstenaarschap is onlosmakelijk verbonden met een taalgebruik dat door zijn oorspronkelijkheid, zijn intelligentie en zijn humor, door zijn eenvoud en zijn economie van middelen, door zijn afkeer van vaagheid en gewichtigdoenerij in Nederland mag gelden als een voorbeeld."


Twee jaar na zijn emeritaat in 1983 verscheen Van het Reves Geschiedenis van de Russische literatuur van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov. Hij had er tientallen jaren aan gewerkt, alleen al door het lezen van zeer grote delen - zo niet het geheel - van het werk van de schrijvers die hij behandelt. Het boek, meer dan 500 bladzijden dik, munt uit in eruditie en toegankelijkheid: een journaliste vond dat het las "als een ideaal collegedictaat, doorspekt met saillante anekdotes". Van het Reves colleges waren in kleine kring altijd befaamd; in de jaren zeventig waren zowel Maarten 't Hart als Maarten Biesheuvel trouwe toehoorders. De jaren zeventig en tachtig waren de jaren waarin Van het Reve - te beginnen met zijn fameuze afrekeningen met opinions chic in NRC Handelsblad onder de schuilnaam Henk Broekhuis - de meeste aandacht trok als columnist, polemist en essayist. Hij schreef in de jaren tachtig een wekelijkse column voor de Wereldomroep (die hij zelf voorlas op de radio), en had van 1986 tot 1996 een tweewekelijkse column in Het Parool. In de loop van de jaren negentig leed Van het Reve in toenemende mate aan de ziekte van Parkinson, "dezelfde ziekte als waaraan Schopenhauer leed," zoals hij wel eens zei. Eind 1996 besloot Van het Reve niet meer te publiceren. Op 4 maart 1999 overleed de schrijver te Amsterdam.
    Een jaar later is op initiatief van zijn zoon David van het Reve de Stichting Karel van het Reve opgericht, met als belangrijkste oogmerk het doen verschijnen van het Verzameld werk van de schrijver. Verzoeken om steun van het Huygensinstituut, dat onder de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen ressorteert en het werk van auteurs als Gorter, Elsschot en Hermans bezorgt, waren afgewezen (iets dat door velen werd toegeschreven aan de leesbaarheid en het ontbreken van gewichtigheid in Van het Reves werk). Een fondsen- wervingsactie onder particulieren leverde in korte tijd genoeg middelen op om toch een begin te maken met Van het Reves Verzameld werk.

Met dank aan Bruno van Ravels